Sinds ik vaker schrijf over hoogbegaafdheid, word ik geregeld aangesproken door mensen die zich herkennen in wat ik schrijf. Ze vertellen dat ze al langer het gevoel hebben dat ze anders zijn, en dat ze in hun persoonlijke zoektocht uiteindelijk zijn uitgekomen bij hoogbegaafdheid.

Dat zijn vaak mooie gesprekken. Eerlijke gesprekken ook. Over je anders voelen zonder precies te weten waarom. Over jezelf jarenlang verkeerd begrepen hebben. Over het ongemak van laat ontdekte hoogbegaafdheid, en de opluchting die het soms geeft als puzzelstukjes eindelijk op hun plek vallen. Precies daarvoor schrijf ik erover.

Maar tussen die gesprekken door kom ik ook weleens een ander type tegen. Mensen bij wie ik, heel eerlijk gezegd, niet direct denk: ja, dit klinkt als hoogbegaafdheid. Eerder als: ambitieus, zoekende, wat excentriek misschien, of gewoon een tikje van het padje af. Mensen die niet alleen vermoeden dat ze hoogbegaafd zijn, maar er rotsvast van overtuigd zijn dat ze briljanter zijn dan ongeveer iedereen om hen heen, en dat de wereld dat simpelweg nog niet goed gezien heeft.

Het onontdekte genie, zeg maar.

En dat vind ik ingewikkeld.

Niet omdat ik mensen hun zoektocht wil afpakken. Integendeel. Ik gun iedereen het recht om zichzelf beter te proberen begrijpen. Maar ik merk ook dat het me schuurt wanneer het label hoogbegaafdheid wordt gebruikt als een soort glanzende kroon op een wankel zelfbeeld. Als iets waarmee iemand vooral wil zeggen: ik ben uitzonderlijk, en de rest snapt me niet. Dan voelt het niet meer als een oprechte zoektocht, maar eerder als een identiteitsfantasie waar niemand aan mag komen.

Ik ben niet graag degene die de bubbel van een ander doorprikt. Tegelijk wil ik ook niet doen alsof elke vorm van zelfoverschatting ineens onder hoogbegaafdheid valt. Daarvoor zie ik te vaak het tegenovergestelde bij mensen die daadwerkelijk hoogbegaafd zijn: twijfel, nuance, zelfrelativering, en een opvallend vermogen om juist te focussen op wat ze níét weten. Ook onder hoogbegaafden zitten natuurlijk rare snuiters, maar de klassieke houding van het miskende genie voelt toch vaak fundamenteel anders dan de twijfelachtige intensiteit die ik herken van veel echte hb’ers.

Misschien zit het verschil niet eens alleen in intelligentie, maar vooral in de verhouding tot de werkelijkheid. De een ervaart dat hij snel denkt, veel ziet en diep graaft, maar blijft tegelijk nieuwsgierig naar wat hij niet weet. De ander lijkt vooral gehecht aan het idee dat hij uitzonderlijk is, en gebruikt hoogbegaafdheid als sluitend bewijs voor iets wat eigenlijk allang vaststond: dat hij boven de rest staat.

Dat werkt bij mij soms als een lachspiegel.

Zodra iemand over hoogbegaafdheid begint, probeer ik automatisch een stukje van mezelf in die ander terug te vinden. Dat is denk ik ook heel menselijk. Als iemand zegt dat hij zich anders voelt, sneller denkt of zich vaak niet begrepen voelt, dan luister ik niet alleen naar die ander, maar ook naar de echo ervan in mezelf.

En soms gaat dat mis. Dan zie ik wel iets van mezelf weerspiegeld, maar direct ook dat de verhoudingen niet kloppen. Alsof ik in een lachspiegel kijk: er is herkenning, maar alles is uitgerekt, opgeblazen of scheefgetrokken. Heel even voel ik dan een flits van twijfel. Ben ik zelf eigenlijk ook niet zo gek als die ander? Ben ik wel écht hoogbegaafd? Bestaat hoogbegaafdheid eigenlijk wel echt?

Gelukkig trekt dat snel weer recht. Juist doordat die spiegel zo vervormd is, zie ik ook scherper wat niet van mij is. Ik herken misschien wel iets van het zoeken, en ook van de verbeeldingskracht. Maar ik hoef niet mee in de uitvergroting. Ik hoef mijn eigen spiegelbeeld niet te laten bepalen door iemand die er zelf geen goede maat meer in houdt.

Misschien is dat wel de kern van dit soort ontmoetingen. Niet dat de een hoogbegaafd is en de ander niet, maar dat sommige mensen een verklaring zoeken en andere mensen vooral een verheven identiteit. Hoogbegaafdheid wordt dan geen poging om jezelf beter te begrijpen, maar een manier om jezelf boven kritiek te plaatsen. Wie zichzelf ziet als onontdekt genie, hoeft zich immers niet meer af te vragen waarom anderen afhaken, waarom samenwerking misloopt of waarom de werkelijkheid zo vaak minder indrukwekkend reageert dan het zelfbeeld zou voorspellen.

Daar haak ik af. Niet omdat ik zo nodig de poort wil bewaken, maar omdat het label dan inhoud verliest. Als hoogbegaafdheid alles mag betekenen wat iemand graag over zichzelf wil geloven, betekent het uiteindelijk niets meer. Dan wordt het geen beschrijving van een manier van denken en ervaren, maar een statussymbool voor mensen die zich graag exceptioneel voelen. En daar heb ik weinig geduld mee.

Misschien moet ik dus ook niet proberen al die mensen netjes in hun bubbel te laten. Misschien is het eerlijker om gewoon te zeggen dat niet elk gevoel van anders-zijn op hoogbegaafdheid wijst, en dat jezelf slimmer voelen dan de mensen om je heen nog geen overtuigend bewijs is. Sommige mensen zijn hoogbegaafd. Sommige mensen zijn ambitieus, gekrenkt of op drift geraakt in hun eigen grootse verhaal. En soms is het onderscheid pijnlijk simpel: de echte zoektocht maakt nieuwsgierig en nederig, de valse maakt iemand vooral heel zeker van zichzelf.

Wat ik tegen zo iemand zeg? Haha… Meestal zeg ik dat ik best een talent bij ze herken, maar dat het voor mijn gevoel niet echt past bij hoogbegaafdheid. Met een knipoog zeg ik dan: “Hoogbegaafdheid is daarvoor toch veel te saai en gewoontjes. Veel te weinig speciaal voor iemand als jij.”

Hi, I’m Nicole

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *