Waarom de universiteit voor mij makkelijker was dan de middelbare school

Hoe hoger het niveau, hoe moeilijker de opleiding. Zo kijken we naar ons onderwijs. Wie het vwo aankan, haalt de havo met gemak. Wie aan de universiteit kan studeren, struikelt toch zeker niet over het mbo?
Bij mij klopte dat niet.
Ik viel uit op de middelbare school. Jaren later deed ik het mbo. Daarna studeerde ik psychologie aan de universiteit. Van die drie was de universiteit veruit het makkelijkst. Dat was geen nuanceverschil. Het was een andere wereld.
Veel uitdaging, weinig inspiratie
Op de middelbare school liep ik vast. Sociaal lag het niet aan: ik had vriendinnen en voelde me er prima. Maar de manier van lesgeven sloot niet aan bij wat ik nodig had. Er was weinig dat me inspireerde of nieuwsgierig maakte. Er was veel dat ik bijna niet kon opbrengen.
Duitse woordjes stampen, bijvoorbeeld. Losse woorden zonder betekenis, die je foutloos moest reproduceren op een toets. Ik had geen kapstok om ze aan op te hangen.
Bij geschiedenis was het hetzelfde. Stel je een docent voor die vertelt hoe mensen vroeger leefden, die je laat nadenken over hun keuzes en je laat zoeken naar lijnen van toen naar nu. Ik had het geweldig gevonden. Wij begonnen bij de basis: jaartallen, namen, feiten, zonder context. Die samenhang had ik juist nodig om te raken aan een onderwerp. Later ontdekte ik hoeveel ik van geschiedenis begreep en hoeveel verbanden ik zag. Ik stond er een zes voor.
Gym kwam erbij. Ik was motorisch onhandig en kreeg een docent die dat las als onwil. Als tiener kun je niet uitleggen waarom iets je zoveel kost. Je doet wat gevraagd wordt, tot het niet meer gaat. Bij mij sloeg het om in verzet. De school wilde me weer aan het werk krijgen, maar begreep niet waarom ik was vastgelopen.
Ik kon niet minder leren dan anderen. De manier waarop ik moest leren paste niet bij mij.
Een andere route: het mbo
Na jaren thuis en een reeks baantjes ging ik opnieuw naar school. De havo liet ik liggen. Opnieuw Frans en Duits trok me niet. Ik koos het mbo, een opleiding voor volwassenen.
Sociaal was dat een goede keuze. Mijn klasgenoten hadden een verleden en hadden bewust gekozen. Daar voelde ik me eerder op mijn plek dan op de middelbare school, ook al zat ik onder het niveau waarop ik begonnen was.
Makkelijk werd het niet. De stages gingen mis. Met begeleiders klikte het niet, ik brak een paar stages af en maakte nare dingen mee. Mijn diploma heb ik gehaald, mijn zelfvertrouwen ging er niet op vooruit.
Ik ben blij met die route. Ik leerde praktisch werken en ontmoette mensen met een heel ander leven dan het mijne. Maar ik vraag me af hoeveel energie het kostte om me steeds aan te passen aan plekken waar ik net niet thuishoorde.
En toen kwam de universiteit
Op de universiteit veranderde iets fundamenteels. Ik kreeg vrijheid. Ik mocht zelfstandig studeren, verbanden leggen, theorieën uitpluizen en me verdiepen in wat me boeide.
Ook daar moest ik feiten leren en tentamens maken. Maar de feiten hingen nu aan iets. Ik werkte van het overzicht naar de details, in plaats van eindeloos details te onthouden zonder te weten waarheen ze leidden. En ik bepaalde grotendeels zelf hoe ik leerde. Voor het eerst vocht ik niet tegen de les.
Mijn studiegenoten sloten minder bij me aan. De meesten kwamen vers van de havo en hadden nog weinig meegemaakt. Mijn vrienden vond ik buiten de universiteit. Inhoudelijk was het perfect. Ik deed mee aan een honorsprogramma en dook dieper, en het ging me af.
Intelligentie is geen rechte ladder
We denken aan intelligentie als aan een ladder. Wie een hoge trede haalt, haalt de lagere vanzelf. Dat klopt niet.
Mensen verschillen niet alleen in hoeveel ze kunnen leren. Ze verschillen in hoe ze leren. De een onthoudt losse feiten moeiteloos. De ander heeft samenhang nodig om iets te begrijpen. De een bloeit op bij vaste stappen, de ander bij zelf onderzoeken. Wie uitstekend abstract denkt, is daarmee nog niet handig in praktische of motorische dingen.
Bij hoogbegaafde volwassenen zie ik dit patroon vaak terug: het disharmonisch profiel, met sterke pieken en diepe dalen. Maar je hoeft niet hoogbegaafd te zijn om het te herkennen.
Ons onderwijs maakt die verschillen lang niet altijd zichtbaar. Soms worden juist de vaardigheden die je minder goed liggen zo bepalend, dat niemand meer ziet waar je werkelijk sterk in bent.
Je zit niet op een te hoog niveau
Wie vastloopt, hoort al snel dat de opleiding te zwaar is. Dat het niveau te hoog gegrepen was.
Vaak is dat de verkeerde diagnose. Soms mist iemand diepgang, vrijheid of betekenis. Dan is een opleiding die officieel moeilijker heet, in de praktijk lichter.
Bij mij was dat zo. Niet omdat het niveau lager lag. Ik zat eindelijk op een plek waar mijn sterke kanten werkten.
Aan wie vastloopt
Dit schrijf ik voor jongeren die zijn gaan geloven dat ze weinig kunnen. Die denken: ik ben uitgevallen op de middelbare school, het mbo lukte niet, dus leren is niet voor mij.
Maar diep in jou zit een deel dat schreeuwt: jawel. Ik wil dit. Ik kan veel. Ik heb alleen de juiste plek nodig.
Ik beloof niet dat de universiteit jouw plek is. Dat weet ik niet. Iets nieuws proberen blijft een risico.
Wat ik wel beloof: het loont om verder te kijken dan de niveaus.
Vraag je niet alleen af wat je aankunt. Vraag je af waar je energie van krijgt, hoe jij leert als niemand je iets voorschrijft, en welke dingen je vanzelf liggen.
Dat je moeite hebt met iets wat anderen makkelijk vinden, betekent niet dat je moeite hebt met wat zij moeilijk vinden.
Dat een manier van leren je niet ligt, zegt niets over hoe ver je kunt komen. Het zegt iets over de plek waar je zocht.
Het deel in je dat schreeuwt dat je wel kunt, heeft gelijk. Het heeft alleen de juiste plek nodig.